Regulations & Guidelines (Dutch)

Bijzonder reglement voor de beoordeling van posthistorische verzamelingen op tentoonstellingen georganiseerd door de F.I.P.

Vertaald uit het Engels door Donald Decorte

Artikel 1 : Competitieve Tentoonstellingen

In overeenkomst met het artikel 1.4 van het Algemeen Reglement van de F.I.P. voor de beoordeling van wedstrijdverzamelingen op F.I.P.-tentoonstellingen (GREV), werden deze bijzondere reglementen ontwikkeld om de basisbeginselen in het kader van de postgeschiedenis te vervolledigen. Wendt u ook tot de richtlijnen voor het beoordelen van verzamelingen in de discipline Postgeschiedenis.

Artikel 2 : Verzamelingen in competitie

Verzamelingen van postgeschiedenis in competitie worden ingedeeld in drie onderklassen (zie GREV Artikel 2.3)

A. Verzamelingen van postgeschiedenis in competitie die materiaal bevatten dat met officiële, lokale of private boden vervoerd werd, en er verband mee houdt. Zulke verzamelingen leggen meestal de nadruk op routes, tarieven, postmerken, gebruiken en andere postale aspecten, diensten, functies en activiteiten verbonden met de geschiedenis van de ontwikkeling van postdiensten.
B. Verzamelingen van marcofilie (postmerken) tonen een klassering en/of studie van postmerken verbonden met officiële, lokale of private postdiensten op brieven, omslagen, postzegels en andere postale stukken.
C. Historische-, sociale- en speciale studieverzamelingen die de postgeschiedenis onderzoeken in de breedste zin alsook de interactie behandelen van de handel en de maatschappij met het postsysteem. (zie de voorbeelden bij artikel 3.2). Naast deze categorieën worden verzamelingen van postgeschiedenis ingedeeld en beoordeeld in drie tijdsperioden.

1. Tot 1875 (voor de UGP)
2. Van 1875 tot 1945
3. Na 1945

Elke verzameling wordt geplaatst in de periode waarin ze begint of de periode waar haar voornaamste onderdeel ligt.

Artikel 3: Beginselen voor het samenstellen van een verzameling om tentoon te stellen

3.1 : Verzamelingen Postgeschiedenis (onderklassen A & B) bestaan uit omslagen en brieven, verzonden postwaardestukken, gestempelde postzegels en andere postale documenten zo geschikt dat ze een uitgebalanceerd plan illustreren als een geheel of om enkele aspecten van de postgeschiedenis uit te werken.

Voorbeelden van onderwerpen die vallen onder de postgeschiedenis (onderklassen 2A & 2B)

  1. Postdiensten voor het ontstaan van de postzegels.
  2. De ontwikkeling van locale, regionale, nationale of international postdiensten.
  3. Posttarieven.
  4. Routes voor het transport van postzendingen.
  5. Postmerken (Marcofilie) – als beschreven in Artikel 2B
  6. Militaire post, veldpost, belegeringspost, krijgsgevangenenpost, burgerlijke en militaire geïnterneerdenpost.
  7. Scheepspost van op zee en/of in binnenwateren.
  8. Spoorwegpost.
  9. Allerlei soorten ambulante postkantoren.
  10. Rampenpost (aardbevingen, overstromingen, ongelukken, …)
  11. Ontsmette post.
  12. Gecensureerde post.
  13. Met strafport belaste post.
  14. Postautomatisatie.
  15. Merken van doorzenders.
  16. Officiële post, merken van portvrijdom.

Een verzameling postgeschiedenis in competitie (onderklassen 2 A & 2 B) kan kaarten bevatten, drukwerken, decreten of ander gelijkaardig verwant materiaal. Deze documenten moeten een direct verband hebben met het gekozen onderwerp en met de items beschreven in de verzameling (zie GREV, Artikel 3.4).

3.2 : Historische-, sociale- en speciale studieverzamelingen (onderklasse 2 C) bevatten materiaal ontstaan in de handel en de maatschappij voor het gebruik in het postale systeem. Zij kunnen niet-filatelistisch materiaal bevatten als dit in nauwe samenhang is met en relevant voor de ontwikkeling van de verzameling. Het niet-filatelistisch materiaal zou verwerkt moeten worden in de verzameling op een evenwichtige en geschikte wijze zodat het nooit het filatelistisch materiaal overheerst.

Voorbeelden van historische, sociale en speciale studies:

  1. Diensten van de telegrammen.
  2. Wenskaarten (inbegrepen de Valentines).
  3. Commerciële omslagen met illustraties of versieringen en die in het postale systeem gebruikt zijn.
  4. Studies over het effect van postdiensten op de handel, de nijverheid en de maatschappij.
  5. Historische studies over een plaats of regio.
  6. Studies verbonden aan een belangrijke gebeurtenis of mijlpaal.

Alle inzendingen bij de onderklasse 2 C moeten kunnen tentoongesteld worden in standaard tentoonstellingskaders.

3.3 : Het plan of de bedoeling van iedere inzending in de onderklassen van de postgeschiedenis, dient duidelijk uitgelegd te worden in een inleidende tekst (zie GREV, Artikel 3.3).

Artikel 4: Criteria voor de beoordeling van verzamelingen (zie GREV, Artikel 4)

Voor het goed begrijpen van een inzending in de postgeschiedenis, kan het nodig zijn extra tekst of materiaal bij te voegen dat niet tot de postgeschiedenis behoort of zelfs niet filatelistisch is. Daarbij moeten alle teksten beknopt en duidelijk zijn en het gebruik van verwant materiaal van buiten de postgeschiedenis of niet-filatelistisch, moet zorgen voor een beter begrip van het postgeschiedkundig onderwerp en de aantrekkelijkheid van de inzending bevorderen.

Artikel 5: Beoordeling van verzamelingen in competitie

5.1 : Verzamelingen van de Postgeschiedenis worden beoordeeld door juryleden erkend in dit domein en in overeenkomst met Sectie V. (Artikel 31-47) van de GREX (zie GREV, Artikel 5.1).

5.2 : Voor inzendingen van Postgeschiedenis en Marcofilie werden volgende criteria voorgesteld om de jury te helpen een evenwichtige evaluatie te maken (zie GREV, Artikel 5.2).

1. Behandeling (20) en filatelistisch belang (10) 30

2. Filatelistische en aanverwante Kennis,
Persoonlijke Studie die nieuwe bevindingen aanbrengt.

35 3. Staat (10) et Zeldzaamheid (20) 30 4. Voorstelling 5 Totaal 100

Historische-, sociale- en speciale studieverzamelingen (onderklasse 2 C) worden, om de jury te helpen een evenwichtige evaluatie te maken, volgens de volgende criteria beoordeeld (zie GREV, Artikel 5.2).

1. Behandeling (20) en Belang (van Filatelistisch [5] & van Historisch & Sociale aspecten [5]) 30

2. Filatelistische, Historische & Sociale Kennis, Persoonlijke Studie en Onderzoek

35 3. Staat (10) en Zeldzaamheid (20) 30 4. Voorstelling 5 Totaal 100

Alle inzendingen zullen beoordeeld worden door toekenning van een puntenaantal voor ieder van de hierboven vermelde criteria. Deze zullen genoteerd worden op gepaste beoordelingsbladen.

Artikel 6: Afsluitende schikkingen

6.1 : In het geval dat er geschillen optreden door het feit van vertaling van deze reglementen, zal de Engelse tekst primeren.

6.2 : Deze Bijzondere Reglementen voor de beoordeling van inzendingen in de Postgeschiedenis op F.I.P. tentoonstellingen werden goedgekeurd door het 70ste Congres in Boekarest op 28 juni 2008. Zij treden in voege vanaf 1 januari 2009 en worden toegepast op tentoonstellingen die de patronage, bescherming of steun hebben van de F.I.P. en die plaats vinden na deze datum.

Richtlijnen voor het beoordelen van een verzameling Postgeschiedenis

Deze herziene Richtlijnen komen in werking voor tentoonstellingen vanaf 1 januari 2009.

1. Inleiding

1.1 Deze Richtlijnen geven een praktische leidraad hoe de GREV (1.1-1.4) toe te passen alsook de SREV voor verzamelingen van Postgeschiedenis zoals goedgekeurd door het 70ste Congres op 28 juni 2008 in Boekarest, Roemenië.

1.2 De SREV voor inzendingen in de Postgeschiedenis is het belangrijkste werkkader dat de algemene principes bepaalt van wat een verzameling in elke onderklasse van Postgeschiedenis zou moeten inhouden en hoe het moet ontwikkeld en voorgesteld worden. Deze Richtlijnen leveren een algemene leidraad voor het beoordelen van zulke inzendingen maar zijn tevens bedoeld voor de verzamelaars die in de Postgeschiedenis tentoonstellen.

1.3 In het geval dat er geschillen optreden tussen de GREV, de SREV voor inzendingen van Postgeschiedenis en deze Richtlijnen, is het de GREV die domineert, de SREV voor inzendingen van Postgeschiedenis is tweede in rangorde en deze Richtlijnen komen als laatste in aanmerking.

2. Omvang van een inzending in de Postgeschiedenis

2.1 Een inzending in de Postgeschiedenis zou, door de ontleding van haar filatelistische stukken, de ontwikkeling en werking van een of meerdere postdiensten moeten tonen en uitleggen; de praktische toepassing van postale regels en richtlijnen, alsook het bestuderen en het klasseren van filatelistisch materiaal en/of postmerken. Dit is van toepassing op verzamelingen die het begin van georganiseerde postdiensten tot de huidige postdiensten omvatten. Historische-, sociale- en speciale studieverzamelingen tonen de wisselwerking van het postsysteem met de maatschappij, gebeurtenissen, de handel of de historische geografie van een streek alsook de effecten van het postsysteem op de mensheid en van de mensheid op het postsysteem.

2.2 De SREV geeft een lijst van mogelijke onderwerpen voor een inzending Postgeschiedenis, zonder dat deze lijst een beperking is. Het is goed mogelijk de ontwikkeling te tonen van de postdienst tussen twee – of meer – regio’s, landen of continenten; of de ontwikkeling te brengen van de postdienst in een land, een gebied of een plaats. Maar men kan evengoed de ontwikkeling uitwerken van een soort postdienst, zowel in de gehele wereld, in een land of enkele landen, of meer plaatselijk.

2.3 Inzendingen kunnen chronologisch opgemaakt worden, geografisch (bijvoorbeeld per plaats, per land,..), volgens de gebruikte transportmiddelen of volgens elke andere manier die de tentoonsteller geschikt acht.

2.4 Tentoonstellers vermijden best het meermaals herhalen van gelijkaardige stukken, grote chronologische hiaten en het gebruiken van dure stukken die niet direct relevant zijn voor het bestudeerde onderwerp.

2.5 Een algemene regel moet zijn dat een Posthistorische inzending interessant (filatelistisch en waar toegelaten niet-filatelistisch) materiaal moet brengen op de best mogelijke manier en dat ze niet mag overkomen als de tekst voor een artikel.

3. Verzamelingen van Marcofilie (postmerken)

3.1 Een inzending van Marcofilie (postmerken) bestaat uit de klassering en studie van postmerken en afstempelingen, met inbegrip van handgeschreven postmerken, gebruikt bij officiële en private postdiensten.

3.2 Inzendingen van Marcofilie kunnen vanaf het tijdperk van voor de postzegels tot heden behandelen.

3.3 De studie kan gaan over de functie, de gebruiksperiode, de plaats van gebruik, de kleur, de staat of andere wijzigingen in de loop van de tijd, of andere aspecten van postmerken. Het onderwerp kan merken van kantoren of diensten omvatten zoals voor het aangetekend verzenden, scheepspost, ambulante postkantoren, ontsmetting, opleidingsmerken, enz. Inzendingen Marcofilie kunnen bijvoorbeeld de studie bevatten van herstelde datumstempels of de door postadministraties toegepaste methode voor het aanduiden van de afstand. Een studie van de verschillende types van merken voor automatische postsortering behoren tot de Marcofilie. De invoering van postautomatisatie in een postdienst is echter Postgeschiedenis.

3.4 Het overtuigend aantonen van kennis en persoonlijke studie van postmerken zal de eerste en de laatst gekende gebruiksdatum bevatten, of de identificatie van de plaats van gebruik wanneer dit niet gemakkelijk op te maken is uit de gebruikte bewoording of een specifiek type (bijvoorbeeld de identificatie van de plaats van gebruik bij stomme of nummerstempels).

3.5 Postmerken moeten zo duidelijk mogelijk afgedrukt zijn en met alle essentiële elementen volledig leesbaar. Wanneer inzendingen Marcofilie gebaseerd zijn op ontwaardingstempels, dan moeten deze volledig en bij voorkeur op document getoond worden. In het algemeen moeten onvolledige afstempelingen vermeden worden. Eveneens te vermijden is het onnodig herhalen van een afstempeling tenzij de oudste en jongste gekende datum om de periode van gebruik aan te tonen. Elke poging om het uitzicht van postmerken te verbeteren, bovenop hetgeen der postdiensten, zal beschouwd worden als vervalsing (zie GREX Artikel 41.2).

3.6 Postzegels tonen in een inzending Marcofilie is in het algemeen te vermijden tenzij als ze in een behoorlijke staat zijn. Als gebruikte postzegels getoond worden in een inzending Marcofilie, zal de beoordeling gebaseerd worden op de rangschikking en studie van de afstempelingen.

4. Inleiding

4.1 Alle inzendingen in de Postgeschiedenis moeten een inleiding hebben die het kader en de strekking van de verzameling aanduidt. De titel van de inzending moet overeenkomen met deze inleidende tekst.

4.2 De titelpagina moet als volgt gebruikt worden: – geschikte algemene (Posthistorische) informatie geven over het onderwerp dat in de inzending wordt behandeld. – een plan bevatten dat de structuur van de inzending brengt – hoofdstukken of delen, enz. met postgeschiedkundig belang – eerder dan een beschrijving te geven kadervlak per kadervlak of blad per blad. – gebieden met eigen onderzoek aanduiden. – gegevens bevatten van belangrijke bronnen en verwijzingen.

4.3 De juryleden zullen het getoonde materiaal, met de bijgaande tekst, in de inzending evalueren tegenover de informatie van de titelpagina (titel, inleiding, informatie van belang voor de gehele inzending; de manier dat de verzameling is gestructureerd; onderzoek en verwijzingen).

4.4 Een weldoordachte titelpagina zal zowel de tentoonsteller als de jury helpen.

5. Criteria voor de beoordeling

5.1 Behandeling en filatelistisch belang

5.1.1 Een totaal van 30 punten kan gegeven worden voor de behandeling en het filatelistisch belang. Tot 10 punten zijn verbonden aan het relatieve filatelistische belang en tot 20 punten aan de ontwikkeling, volledigheid en juiste keuze van het getoonde materiaal. Onder onderklasse 2C worden tot 5 punten gegeven voor het historische en sociale belang van het behandelde onderwerp.

5.1.2 Bij de beoordeling van de behandeling en het belang van een inzending, kijken juryleden naar de algemene uitwerking van het onderwerp, de volledigheid van het getoonde materiaal in relatie tot de omvang van de inzending en haar belang, filatelistisch of historisch, in verhouding tot het gebrachte onderwerp alsook de moeilijkheid om de verzameling na te bouwen. Tentoonstellers moeten zich verzekeren dat hun inzending samenhangend is en vermijden het combineren van te ver uit elkaar liggende onderwerpen. Als dit het geval is, zullen inzendingen punten verliezen onder de criteria behandeling en belang.

5.1.3 Het belang van een inzending zal afgewogen worden in verband met de algemene postgeschiedenis van het land, het gebied of het behandelde onderwerp, en tot de filatelie in het algemeen en tot het belang voor de geschiedenis, de mensheid of het geografisch gebied in het geval van een inzending onder de onderklasse C. Rekening houdend met het toegekende aantal bladen, zal het normaal gemakkelijker zijn te zorgen voor een correcte, volledige en gedetailleerde behandeling van minder omvangrijke onderwerpen dan van uitgebreide onderwerpen.

5.1.4 Bijvoorbeeld de postgeschiedkunde van een hoofdstad kan in het algemeen belangrijker zijn dan die van een provinciestad of landelijk gebied. Een studie van posttarieven of postale akkoorden tussen twee of meer landen zal in het algemeen belangrijker zijn dan de binnenlandse tarieven van een land over dezelfde periode. Een inzending (bvb. over posttarieven) die zowel loopt over de prefilatelie als over de periode met postzegels, maar de eerste postzegeluitgiften weglaat, zal onvermijdelijk minder punten krijgen voor belang en zeldzaamheid. Dit is evenzeer van toepassing bij alle inzendingen die de moeilijkste onderdelen weglaten.

5.1.5 De jury beoordeelt ook of het getoonde materiaal wel degelijk in verband is met het bestudeerde onderwerp. Buiten zeldzame uitzonderingen, zijn postfrisse postzegels of ongebruikte postwaardestukken niet geschikt of hun gebruik moet verantwoord zijn. Geografische kaarten, postale verordeningen, enz. die alleen gebruikt zijn als documentatie en om de ontwikkeling van de inzending te verhelderen, moeten niet te talrijk zijn en de juryleden moeten in principe alleen het getoonde filatelistische materiaal beoordelen (GREV 3.1-3.2). De toepasselijkheid, het evenwicht en het belang van het niet-filatelistische materiaal in inzendingen van historische, sociale en speciale studies, zal beoordeeld worden door de jury.

5.2. Filatelistische kennis, persoonlijke studie en onderzoek

5.2.1 Een totaal van 35 punten kan gegeven worden voor de filatelistische kennis, persoonlijke studie en onderzoek.

5.2.2 Filatelistische en aanverwante kennis wordt getoond door de uitgekozen documenten die men toont en de daarbij horende uitleg. Persoonlijke kennis wordt aangetoond door een geschikte analyse van de getoonde documenten. Voor inzendingen waarbij het vanzelfsprekend is dat een diepgaand onderzoek gedaan werd (inzending met nieuwe details in verband met het behandelde onderwerp), kan een groot deel van het totaal van de punten voor dit onderzoek gegeven worden. In het geval een onderwerp reeds dikwijls uitvoerig bestudeerd werd, zal een inzending die nieuw onderzoek met bijbehorende resultaten brengt speciaal beloond worden. De studie en goede interpretatie van de beschikbare kennis moeten eveneens beschouwd worden onder dit criterium.

5.2.3 Een goede evaluatie van de filatelistische kennis en van deze in verband met het behandelde onderwerp, persoonlijke studie en opzoekwerk zal gebaseerd zijn op de toepasselijke beschrijving van elk getoond filatelistisch stuk. Juryleden en tentoonstellers moeten in gedachte houden dat de gebrachte informatie het getoonde materiaal niet mag overstelpen. Een weloverwogen plan (zie punt 4 hierboven) moet te lange beschrijvingen verder in de inzending vermijden.

5.2.4 Wat de inzendingen van historische, sociale en speciale studie betreft, worden voor de hieraan verbonden algemene niet-filatelistische of historische kennis rekening gehouden met alle aspecten van deze criteria.

5.3 Staat et zeldzaamheid

5.3.1 Een totaal van 30 punten kan gegeven worden voor de Staat en Zeldzaamheid. Tot 20 punten kunnen toegekend worden aan de zeldzaamheid en het belang van de getoonde stukken en tot 10 punten voor de staat waarin ze zich bevinden.

5.3.2 Zeldzaamheid is direct verbonden aan de getoonde filatelistische stukken en aan de relatieve zeldzaamheid van het soort getoonde materiaal, en in het bijzonder met de filatelistische zeldzaamheid (maar niet noodzakelijk met de geldwaarde), en het belang van de gehele verzameling en haar onderwerp. Bijvoorbeeld het tonen van het enig gekende exemplaar van een postmerk van een kleine plaats maar van een type in geheel het land gebruikt, kan minder belangrijk zijn dan een speciaal type enkel in die plaats gebruikt.

5.3.3 De staat kan sterk verschillen bij het materiaal in de postgeschiedenis. Juryleden moeten het normaal beschikbare materiaal in gedachten houden. In het algemeen moeten goede staat, zuivere en leesbare poststempels en andere postmerken net als het algemeen voorkomen van de documenten gehonoreerd worden terwijl slechte kwaliteit bestraft moet worden. Wanneer mogelijk moeten omslagen en ander documenten die postzegels dragen de postmerken in goede staat tonen. Bijvoorbeeld bij een verzameling van ramppost (uit schepen of vliegtuigen) zal de algemene staat van de documenten per definitie slecht zijn, maar de postmerken geplaatst bij de redding zouden zo duidelijk mogelijk moeten zijn.

5.4 Voorstelling

5.4.1 De voorstelling kan tot 5 punten krijgen. Ze zou de behandeling van de verzameling moeten aanvullen door haar algemene opmaak en overzichtelijkheid. De juryleden zouden het werk gestoken in de voorstelling moeten beoordelen vanuit het oogmerk hoe dit het begrijpen en de aantrekkelijkheid van de inzending voor juryleden en toeschouwers bevorderd.

5.4.2 Afbeeldingen van belangrijke postmerken zijn alleen noodzakelijk wanneer de originelen niet duidelijk genoeg zijn voor de kijker. Wanneer het gewenst is postmerken van de rugzijde van omslagen te tonen, kunnen deze getekend worden of gereproduceerd worden, zoals met een foto of fotokopie, mits deze reproductie voor de toeschouwers duidelijk te herkennen is als een reproductie. Foto’s of fotokopieën in kleur zouden minstens 25 % in formaat verschillen van het origineel. Reproducties in originele grootte van een alleenstaand postmerk of delen van een omslag zijn wel toegelaten. Al het getoonde materiaal, ook het niet posthistorische en niet-filatelistische (bvb. geografische kaarten), zou waar mogelijk een origineel moeten zijn.

6. Besluiten

6.1 : Deze richtlijnen beantwoorden niet elke vraag die bij een tentoonsteller of jurylid kan opkomen. Elke tentoongestelde verzameling moet beoordeeld worden naar haar eigen verdiensten.

6.2 : In het geval dat er geschillen optreden door het feit van vertaling van deze reglementen, zal de Engelse tekst primeren.